Factsheet Sport, Bewegen en Onderwijs

De ministeries van VWS en OCW willen de verbinding tussen sport en onderwijs verder  versterken, met als doel: een meer samenhangend en dekkend sport- en beweegaanbod te realiseren voor de jeugd. Hoe zij dat willen bereiken is neergelegd in het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs.
Het beleidskader steunt het streven dat het percentage jeugdigen (4-17 jaar) dat aan de beweegnorm voldoet in 2012 minimaal 50% moet zijn.

Beweegnorm
De Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB): voor jongeren (0-17 jaar): dagelijks één uur tenminste matig intensieve lichamelijke activiteit, waarbij minimaal twee keer per week kracht-, lenigheid- en coördinatieoefeningen voor het verbeteren of handhaven van de lichamelijke fitheid.

Waarom meer bewegen?
Sport en bewegen is een middel om:

  • gezondheid te bevorderen: Er is veel aandacht voor preventie in de gezondheidszorg. Vooral het toenemende overgewicht bij kinderen is een grote bedreiging voor de volksgezondheid. Sporten en bewegen stimuleert de jeugd om een gezondere levensstijl ontwikkelen;
  • schooluitval te voorkomen: Meer sport in het onderwijs kan het onderwijs aantrekkelijker maken en mogelijk bijdragen aan de binding die leerlingen hebben met de school;
  • talent te herkennen en te ontwikkelen: Door de jeugd al jong een gevarieerd aanbod aan sportactiviteiten aan te bieden, kan talent zich ontwikkelen. Een brede basis leidt tot een hoge top.

Overgewicht tegengaan
Als er niets wordt gedaan, zal het percentage kinderen met overgewicht sterk stijgen, met alle risico’s voor de volksgezondheid van dien. Gemiddeld is 14 procent van de jongens en 17 procent van de meisjes te dik. Op sommige leeftijden is het percentage kinderen dat te dik is ver(drie)dubbeld ten opzichte van eerdere metingen in 1997. (TNO, 2006). 

Schooluitval
De nationale doelstelling is het terugdringen van de jaarlijkse nieuwe voortijdige uitval met 50% tussen 2002 en 2012. Het gaat om alle leerlingen van 12-22 jaar die zonder startkwalificatie in een bepaald schooljaar het onderwijs verlaten. Een startkwalificatie is minimaal een diploma van havo, vwo of niveau 2 van het mbo. (factsheet voortijdig schoolverlaten, OCW 2007)
Het aantal voortijdig schoolverlaters daalt de laatste jaren, maar nog niet voldoende om de doelstelling te behalen. In 2005/2006 was het totale percentage voortijdig schoolverlaters 4,1%. In 2006/2007 4,0 % en in 2007/2008 3,7%.
In het mbo is het percentage voortijdig schoolverlaters het hoogst. In 2005/2006 9,3 %, 2006/2007 9% en in 2007/2008 8,5 %.
In het voortgezet onderwijs verlaat ongeveer 2 % procent van de leerlingen de school voortijdig. Dat gebeurt het meest in de laatste twee jaar van het vmbo. (Min OCW, 2009)

Sport als doel
Sporten heeft een waarde in zichzelf. Het is een gezonde en leuke vrijetijdsbesteding.  De kwaliteit van bewegingsonderwijs is in belangrijke mate bepalend voor de latere houding ten opzichte van lichamelijke activiteiten als sport en het beweeggedrag. Sportparticipatie in de kinderjaren is een goede voorspeller van het beweeggedrag later en inactiviteit van jeugdigen is nauw verbonden met inactiviteit op volwassen leeftijd. (Breedveld 2006).
De school en sportvereniging zijn de belangrijkste maatschappelijke instituties waar
kinderen en jongeren intensief met sport en bewegen in aanraking komen.
In Het Olympisch Plan 2028 is de ambitie geformuleerd om met sport in de volle breedte een bijdrage te leveren aan Nederland, met veel positieve effecten nú en in de toekomst. En met de organisatie van de Olympische en Paralympische Spelen van 2028 in Nederland als inspirerend perspectief en mogelijke uitkomst.

Effecten van sport op de leerprestaties
Sport kan een positieve bijdrage leveren aan betere schoolprestaties (Stegeman 2007). Bijna alle studies vinden een positieve (maar doorgaans niet zeer sterke) relatie tussen sportparticipatie en schoolprestaties.
Een aantrekkelijk aanbod van sport- en bewegingsactiviteiten draagt verder bij aan het beperken van schooluitval, schoolverzuim en reductie van anti-sociaal gedrag (Steiner 2001). Actieve kinderen en jongeren gaan met plezier naar school en zijn meer gemotiveerd om te leren (Symons et al. 1997).
Effecten hangen sterk samen met de wijze waarop de activiteiten worden aangeboden en de rol die de leerkracht en trainer speelt. Het lijkt er niet zozeer om te gaan welke sport of beweegactiviteit wordt aangeboden,maar vooral om hoe deze wordt aangeboden.

Draagvlak voor samenwerking sport, bewegen en onderwijs
Het draagvlak voor samenwerking tussen de onderwijs- en sportsector is in principe groot. Vrijwel alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs vinden sport en beweging voor hun leerlingen belangrijk.
Circa 60% van het aantal (brede) scholen in het primair en voortgezet onderwijs werkt structureel samen met sportaanbieders: sportverenigingen, maar ook gemeenten en commerciële sportorganisaties. Van de sportverenigingen werkt bijna 40% samen met scholen. (Kalmthout, J. en J. Lucassen, 2008). 

 

Meedoen
  

blok_platformsbo