|
Taken In het primair onderwijs (PO) en voortgezet onderwijs (VO) zijn de scholen verplicht lessen bewegingsonderwijs aan te bieden.
Geen verplicht bewegingsonderwijs in het mbo
In het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) is sinds de invoering van de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB) in 1996 sport en bewegen niet meer in het curriculum opgenomen. Het verzorgen van bewegingsonderwijs is dus geen wettelijke verplichting. Juist in de leeftijdscategorie 15-17 zou bewegen gestimuleerd moeten worden, want juist op deze leeftijd haken veel sporters af.1 Er zijn wel mogelijkheden om sport- en bewegingsactiviteiten op te nemen in het mbo binnen de vrije ruimte en de beroeps- en burgerschapscompetenties. Het ontbreekt in het mbo echter op veel scholen aan kennis, menskracht en samenhangend beleid om sport en beweging een goede plek in het onderwijsaanbod te geven. Toch is ook bij het mbo een kentering waarneembaar. Meer dan de helft van de roc’s heeft zich verzameld in het Platform Bewegen en Sport. Uit good practices blijkt, dat het de instellingen zelf zijn die het tij kunnen keren.
1 Bron: Resultaten Monitor Bewegen en Gezondheid, Bewegen in Nederland 2000-2008, TNO
|
Rol
Functionarissen sport en bewegen
Bestuur en management Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het beleid op de school. Het bevoegd gezag wordt gevormd door het bestuur van de school. In enkele gevallen is het bestuur van de openbare scholen belegd bij de gemeente. Het bestuur kan beleidszaken delegeren naar de schoolleiding of gezamenlijk hierin optrekken. Het bevoegd gezag en/of de directie van de school kan op bestuurlijk niveau afspraken maken met de gemeente en met sportorganisaties en zich committeren aan bepaalde beleidsdoelen op het gebied van sport en bewegen.
Bevoegd leerkracht Bevoegde leerkrachten hebben altijd minimaal een hbo-opleiding voltooid. In het primair onderwijs kan bewegingsonderwijs worden gegeven door een groepsleerkracht die de pabo heeft gedaan. Vanaf september 2005 geldt dat een pabo-afgestudeerde niet meer automatisch bevoegd is voor het geven van bewegingsonderwijs in de groepen 3 t/m 8, maar hiervoor een specifieke leergang moet volgen.
Vakleerkracht Meer dan de helft van de PO-scholen heeft een vakleerkracht die (een deel van) het bewegingsonderwijs verzorgt. In het VO wordt het bewegingsonderwijs altijd verzorgd door vakleerkrachten bewegingsonderwijs. Deze vakleerkrachten hebben een hbo-opleiding gedaan, namelijk een academie voor lichamelijke opvoeding (ALO).
Uit onderzoek is gebleken dat de vakleerkracht onmisbaar is bij het versterken van de samenwerking tussen onderwijs en sport, zeker als de intentie is om dit een structureel karakter te geven. De vakleerkracht zal ook meer betrokkenheid bij zijn collega’s kunnen creëren bij de buitenschoolse activiteiten, wat de effectiviteit zeker zal vergroten.
Vakdocenten op de basisscholen
- In 39% van de scholen geeft de groepsleerkracht de lessen bewegingsonderwijs en is er dus geen sprake van een vakleerkracht.
- In nog eens 25% van de scholen geeft de groepsleerkracht de helft van de lessen en een vakdocent de andere helft.
- In 18% van de scholen geeft de groepsleerkracht de lessen in kleutergroepen en een vakleerkracht in de hogere leerjaren.
- Slechts in 9% van de scholen worden de lessen bewegingsonderwijs integraal verzorgd door een vakleerkracht.
Bron: Het Eindrapport Tijdelijke Commissie Brede Analyse, Dr. J. Voogt, Enschede, 2007
|
Lobos'er Een gediplomeerde van een mbo-opleiding Sport en Bewegen kan een breed aanbod aan sport- en bewegingsactiviteiten verzorgen buiten, maar ook binnen de school. Als deze mbo’er in het PO of VO aan de slag gaat, gebeurt dat in de functie van lerarenondersteuner bewegingsonderwijs en sport (Lobos). In het mbo-onderwijs kan deze mbo’er worden ingezet als instructeur. Lobos’ers voeren onderwijstaken uit onder verantwoordelijkheid van de voor bewegingsonderwijs bevoegde groepsleerkracht of vakleerkracht. Hoe zelfstandig de lerarenondersteuner is bij de uitvoering van zijn taken is afhankelijk van de context waarbinnen hij of zij functioneert. Het bevoegd gezag van de school beslist hierover naar eigen inzicht. Omdat de Lobos’er een brede opleiding Sport en bewegen heeft gedaan, goedkoper is dan een vakleerkracht en in diverse contexten kan functioneren, komt met de inzet van deze functionarissen aanzienlijk meer capaciteit beschikbaar om de jeugd een dagelijks sport- en beweegaanbod te bieden. Er moet uiteraard scherp worden gekeken naar het takenpakket en de begeleiding en aansturing van deze functionarissen, die geen onderwijsbevoegdheid hebben.
Stagiairs Stagiairs van de mbo- en hbo-sportopleidingen kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de mogelijkheden om het binnen- en buitenschoolse sportaanbod te vergroten. Belangrijk is een goede begeleiding van de stagiairs binnen het bewegingsonderwijs.
Personeel buitenschoolse opvang Aanbieders van buitenschoolse opvang gaan een contract aan met de school. Zij voeren de opvang voor de school uit. Een enkele school organiseert dit zelf. In de buitenschoolse opvang (bso) werken groepsleiders. Hiervoor is geen specifieke opleiding vereist. Dit kunnen dus ook mensen zijn met een sportachtergrond, bijvoorbeeld een lobos’er of een combinatiefunctionaris. Een combinatiefunctionaris kan dan deels bij de buitenschoolse opvang werken en deels bij de sportvereniging.
Kenmerkend De school is een belangrijke partij bij het realiseren van een samenhangend aanbod voor sport en bewegen. Het onderwijs vormt een goed georganiseerde sector. Scholen zijn experts op pedagogisch gebied. Ze kunnen sport- en bewegingsactiviteiten goed afstemmen op de pedagogische behoefte van de jeugd. Vanuit de school kan de aansluiting tussen de inhoud van de lessen bewegingsonderwijs en de buitenschoolse activiteiten goed worden gerealiseerd. Scholen voor primair onderwijs zijn goed over de wijken verspreid en hebben vaak een belangrijke functie in de wijk. Binnen het voorgezet onderwijs is die binding met de wijk minder aanwezig. Er is wel een verbinding met het dorp of de stad. Dit geldt ook voor het mbo-onderwijs, dat vaak binding heeft met verschillende gemeenten, maar minder met de wijken. Dat maakt het lastiger deze scholen te betrekken bij een wijkgerichte aanpak, hoewel het natuurlijk wel mogelijk is.
Het onderwijs is een professionele werkgever met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden. Dat maakt het onderwijs geschikt voor het in dienst nemen van bijvoorbeeld combinatiefunctionarissen.
Scholen hebben te maken met veel regels en voorschriften voor wat betreft onderwijsinhoud, bevoegdheid van personeel, schooltijden, accommodaties en verantwoording naar ouders en overheid. Dat maakt het voor scholen vaak lastig om innovatieve activiteiten uit te voeren onder schooltijd. Scholen zullen vooral de samenwerking zoeken met sportorganisaties in het kader van de schoolsport.
Scholen in het PO en VO zijn verplicht twee uur in de week bewegingsonderwijs te verzorgen. Deze scholen kunnen zelf bepalen of zij naast de wettelijke verplichtingen, de leerlingen meer sport- en beweegmogelijkheden aanbieden. Mbo-scholen kunnen ook uit eigen overwegingen sport en bewegen aanbieden. Dat kan vanuit een didactische visie, bijvoorbeeld vanuit het idee dat sporten en bewegen een positief effect heeft op de concentratie. Ook kunnen leerlingen vaardigheden opdoen, zowel op motorisch als sociaal en cognitief vlak. Het aanbieden van sport en bewegen kan de school aantrekkelijk maken voor leerlingen en de verbondenheid met de school verhogen. Ook vanuit PR-overwegingen en om schooluitval tegen te gaan kan de school dus sport inzetten. Tenslotte kan de school sport en bewegen stimuleren vanuit haar maatschappelijke taak. Veel scholen beschrijven de sportactiviteiten in een beweegplan waarin naast de activiteiten in het kader van het curriculum, ook bewegen als keuzevak, schoolsport en Motorische Remedial Teaching (MRT) een plek kunnen krijgen.
|